Elektrische stroom kan alleen lopen wanneer er een gesloten stroomkring is. Stroom zelf wordt niet verbruikt, maar het vervoert energie. Het krijgt de energie van een spanningsbron, zoals een batterij of via het stopcontact. Het verschil in spanning tussen de positieve en negatieve pool van een spanningsbron zorgt ervoor dat de stroom kan bewegen, ook wel 'lopen' genoemd. Elekrische stroom bestaat uit elektronen die kunnen bewegen. De hoeveelheid energie die de bewegende electronen bevatten hangt af van de spanning in de spanningsbron. Spanning (U) is een grootheid, die wordt uitgedrukt in de eenheid Volt (V). Spanning is te meten met een spanningsmeter, ook wel Volt-meter genoemd.
De spanning die op een stopcontact staat is in Europa altijd 230 V. Batterijen leveren meestal spanningen van 1,5 tot 9 V.
De energie die de stroom vervoert kan worden gebruik door een elektrisch apparaat, zoals een gloeilamp. De lamp zet de elektrische energie om in lichtenergie en in warmte.
Stoffen waar elektrische stroom gemakkelijk door kan bewegen heten geleiders. Stoffen waarbij dit vrijwel niet of helemaal niet kan heten isolatoren.
De sterkte van de elektrische stroom kun je meten met een stroommeter. Deze wordt ook wel ampèremeter genoemd. Stroomsterkte(I) is dus een grootheid, en wordt uitgedrukt in de eenheid ampère (A).
Als de stroomsterkte hoger is dan bewegen er meer elektronen.
Naast spanning en stroomsterkte is vermogen (P) een derde belangrijke grootheid die een rol speelt bij elektriciteit. De bijbehorende eenheid is Watt (W)
Het vermogen geeft aan hoeveel energie een apparaat per seconde kan omzetten. Zo kan een lamp van 40 W maximaal een hoeveelheid energie van 40 J
omzetten in 1 seconde. Joule (J) is de maat of eenheid voor de grootheid energie (E). De elektrische energie die door de stroom wordt aangevoerd wordt door de lamp omgezet in lichtenergie en warmte.
Het verband tussen de drie grootheden is als volgt: Vermogen is spanning maal stroomsterkte
In symbolen: P = U * I
De hoeveelheid energie die een apparaat verbruikt hangt af van het vermogen en de tijd dat het apparaat aan staat. Energie is vermogen maal tijd
In symbolen: E = P * t
De hoeveelheid energie kan worden weergegeven in Joule (J) of in kilowattuur (kWh).
In een parallelschakeling van twee lampjes geldt:
- de spanning over beide lampjes gelijk is. Ut = U1 = U2
- totale stroomsterkte is de som van de stroomsterktes door beide lampjes afzonderlijk: It = I1 + I2
In een serieschakeling van twee lampjes geldt:
- de stroomsterkte is overal gelijk: It = I1 = I2
- de spanningverdeeltzich over beide lampjes: Ut = U1 + U2
Spanning (U) is een grootheid, die wordt uitgedrukt in de eenheid Volt (V). Spanning is te meten met een spanningsmeter, ook wel Volt-meter genoemd.
De spanning die op een stopcontact staat is in Europa altijd 230 V. Batterijen leveren meestal spanningen van 1,5 tot 9 V.
De energie die de stroom vervoert kan worden gebruik door een elektrisch apparaat, zoals een gloeilamp. De lamp zet de elektrische energie om in lichtenergie en in warmte.
Stoffen waar elektrische stroom gemakkelijk door kan bewegen heten geleiders. Stoffen waarbij dit vrijwel niet of helemaal niet kan heten isolatoren.
De sterkte van de elektrische stroom kun je meten met een stroommeter. Deze wordt ook wel ampèremeter genoemd.
Stroomsterkte (I) is dus een grootheid, en wordt uitgedrukt in de eenheid ampère (A).
Als de stroomsterkte hoger is dan bewegen er meer elektronen.
Naast spanning en stroomsterkte is vermogen (P) een derde belangrijke grootheid die een rol speelt bij elektriciteit. De bijbehorende eenheid is Watt (W)
Het vermogen geeft aan hoeveel energie een apparaat per seconde kan omzetten. Zo kan een lamp van 40 W maximaal een hoeveelheid energie van 40 J
omzetten in 1 seconde. Joule (J) is de maat of eenheid voor de grootheid energie (E). De elektrische energie die door de stroom wordt aangevoerd wordt door de lamp omgezet in lichtenergie en warmte.
Het verband tussen de drie grootheden is als volgt:
Vermogen is spanning maal stroomsterkte
In symbolen: P = U * I
De hoeveelheid energie die een apparaat verbruikt hangt af van het vermogen en de tijd dat het apparaat aan staat.
Energie is vermogen maal tijd
In symbolen: E = P * t
De hoeveelheid energie kan worden weergegeven in Joule (J) of in kilowattuur (kWh).
In een parallelschakeling van twee lampjes geldt:
- de spanning over beide lampjes gelijk is. Ut = U1 = U2
- totale stroomsterkte is de som van de stroomsterktes door beide lampjes afzonderlijk: It = I1 + I2
In een serieschakeling van twee lampjes geldt:
- de stroomsterkte is overal gelijk: It = I1 = I2
- de spanning verdeelt zich over beide lampjes: Ut = U1 + U2
Zie simulatie stroomkring
Hoe werkt een lamp eigenlijk en wat is de geschiedenis van lampen?